Home
   

Doperse geschiedenis
in Dordrecht

Het doperdom ontstond in het begin van de zestiende eeuw in Zwitserland. Het onderscheidde zich van het katholicisme en reformatorische gemeenten door het afwijzen van dogma's, door de doop op het geloof, het vredesgetuigenis (afwijzing van geweld) en het niet afleggen van een eed.
 
Toen pastoor Menno Simonsz (1496-1561) in Friesland met het doperdom in aanraking kwam, werd hij in 1535 een actieve leraar (doopsgezinde benaming voor een predikant) waardoor veel doopsgezinde gemeenten ontstonden.
 
De band van zusterlijke en broederlijke liefde als samenbindend element in de gemeente was voor Menno Simonsz heel belangrijk. Zorg voor elkaar en solidariteit met elkaar, ook in materieel opzicht, waren voor hem vanzelfsprekend.
 
'Wanneer er in de gemeente werkelijk een onderlinge band is die voortkomt uit de liefde van God', zo zei hij, 'dan is het vanzelfsprekend dat er niemand in de gemeente armoe zal lijden of honger zal hebben'.
 
Door de eeuwen heen is deze zorg voor elkaar een belangrijk aspect geweest in het doperse gemeenteleven. De gemeente is immers, zoals Paulus dat zegt (1 Kor. 12, 12-31), als een menselijk lichaam: wanneer één lid lijdt, lijden alle leden mee.
 
Alleen wanneer er zo'n hechte band is tussen de leden, kan de gemeente aan haar roeping beantwoorden: Te zijn als een stad op een berg, die niet verborgen kan blijven.
 
Een taak van de gemeente, die voortvloeit uit onderlinge liefde, was voor Menno Simonsz ook het onderling pastoraat. Het pastoraat moest volgens hem niet worden gezien als een taak van de voorganger, omdat hij/zij er voor heeft gestudeerd en er voor wordt betaald. Voor Menno Simonsz was het pastoraat een taak van alle gemeenteleden.
 
Tegelijk stond wegens het ontbreken van sociale voorzieningen ook het geven van materiele hulp in Menno's tijd centraal.
 
De liefde waartoe Menno Simonsz opriep gold overigens niet alleen geloofsgenoten. Het hemd is wel nader dan de rok, maar wie Jezus van Nazareth wil volgen is ook geroepen vijanden lief te hebben.
 
Op 16 mei 1569 wordt Dirk Willemsz ter dood veroordeeld en al zijn bezittingen worden geconfisqueerd. Wanneer hij ontsnapt en vlucht over het ijs, ziet hij dat zijn achtervolger door het ijs van de Linge is gezakt en in levensgevaar verkeert. Hij staakt zijn vluchtpoging en redt de man van een wisse dood...
 
De gevangenisbewaarder is Dirk voor zijn redding zo dankbaar, dat hij hem wil laten ontsnappen, maar intussen is de burgemeester aan de andere oever gearriveerd. Die schreeuwt hem toe dat hij onder ede staat om Dirk te grijpen en terug te brengen.
 
Op zijn aandrang en zonder verzet van Dirk doet hij dat ook. De Martelarenspiegel vermeldt (fol. 387b) dat Dirk na 'sware gevangenis en groote beproeving... met een langdurigen brand gedood geworde'. Deze geschiedenis van Dirk Willemsz wordt een kernverhaal van onze doperse traditie.
 
Vanuit historisch perspectief kan de liefde die Menno Simonsz zo hoog achtte, in onze tijd, buiten de gemeente ook in heel andere vormen tot uitdrukking komen.
 
Om er enkele te noemen: het vraagstuk van de toenemende verschillen tussen arm en rijk, de tweede en derde generatie zogeheten gastarbeiders, onze omgang met asielzoekers en vluchtelingen en zorg voor het milieu.
 
DOOPSGEZINDEN IN DORDRECHT
 
Het lijkt erop dat in Dordrecht met name de doperse gedachten populair waren, waarmee vooral wordt gedoeld op een persoonlijk geloofsleven op basis van eigen kennisname van de bijbel.
 
Hoe krachtig de doperse beweging in Dordrecht was, is overigens niet (meer) uit te maken. De rondreizende leraar Leenaert Bouwens kwam hier pas in zijn tweede periode (1557-1561) en doopte toen niet meer dan zes personen. In zijn derde periode (1563-1565) bezocht hij Dordrecht tien maal en doopte toen in totaal 44 personen.
 
Uit thans niet meer beschikbare Dordtse gegevens blijkt dat in ieder geval in 1555, 1558 en 1570 dopersen zijn geëxecuteerd, waaruit zou kunnen blijken dat uitsluitend tegen verstokte wederdopers onverzoenlijk werd opgetreden; anderen zouden nauwelijks zijn gedeerd. Een aantal andere processtukken doet vermoeden dat zich inderdaad heel wat doopsgezinden in Dordrecht bevonden. 1)
 
Digna Pieters werd op 17 november 1555 voor het stadhuis ontpoorterd, en op 23 november op de Putocstoren in een zak gestoken en verdronken. 2)
 
Op 1 oktober 1558 werd Joris Wippe vanwege zijn doopsgezinde overtuiging in Dordrecht gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Het vonnis werd voltrokken door hem in een ton te verdrinken. 3)
 
Op 8 maart 1572, ontwerpvonnis van de Raad van Beroerten tegen de Dordtse doopsgezinden Jan Wouterszoon van Cuyck en Adriaenken Jansdr.; zoals beschreven door J.J. Beyerman: Een vonnis van de 'Bloedraad' over twee Mennonieten in 1572., in: Zuid-Hollandse studiën XI (1965), pag. 158-171;
 
De schout Jan van Drenckwaert had vanuit Brussel van de bloedraad het bevel gekregen Jan Wouterszoon van Cuyck wegens ketterse sympathieën gevangen te nemen, teneinde hem terecht te stellen. Op 23 en/of 28 maart 1572 werden op het Nieuwe Werck Jan Wouterszoon van Cuyck en Adriaenken Jansdr. terechtgesteld op de brandstapel. 4)
 
Midden 17e eeuw was in Dordrecht een vrij omvangrijke Vlaamse gemeente, die ongeveer 200 lidmaten telde, ongeveer 4% van de stadsbevolking. 6)
 
De in 1633 verschenen 'Confessie van Dordrecht', die was opgesteld om eenheid onder de Vlaamse Doopsgezinden te brengen, heeft naderhand als 'belijdenis' voor de Duitse, Franse en Noord-Amerikaanse Doopsgezinden (The Christian Confession of the Faith of the Harmless Christians. 1727) een nog grotere betekenis gekregen. 7)7) Confessie Ende Vredehandelinge

 
De reden hiervoor was dat de typische Dopers-Doopsgezinde kenmerken, ondermeer de doop op belijdenis, de gemeenteopvatting en de weerloosheid, duidelijk uiteengezet werden.
 
Van de Dordtse doperse voorganger Tieleman Jansz. van Braght, verscheen in 1660 te Dordrecht de martelaarsspiegel, daarna nog eens in 1685 herdrukt, onder den titel: 'Het bloedig tooneel of martelaersspiegel der doopsgesinde of weereloose christenen' met de bekende zeer fraaie platen van Jan Luyken. 8) Een klassiek omvangrijk boek over lijden, belijden en bevrijden.
 
Omstreeks 1680 bereikte de Dordtse gemeente haar grootste bloei; in 1742 waren er nog 40 leden.
Zoals veel Vlaamsche gemeenten sloten ze zich niet aan bij de in 1811 opgerichte Doopsgezinde Sociëteit. Ca. 1820 werd geen nieuwe leeraar aangesteld, waarschijnlijk omdat de gemeente te klein was.
 
Midden 19e eeuw komen er meer Doopsgezinden in Dordrecht wonen. Kerk en kosterswoning zijn dan in gebruik bij familieleden van de laatste koster, die geen huur betalen en weigeren de goederen en papieren af te geven.
 
Omstreeks 1867 verkochten erfgenamen de bouwvalige kerk met inboedel en namen het nog aanwezige geld op. Er zijn dan 10 leden bekend, 4 broeders en 6 zusters. De zaak loopt nog in de Resolutieënboek van 28 December 1876. 9)
 
Nieuw begin
13 december 1895 is opnieuw de Doopsgezinde Gemeente van Dordrecht gesticht onder leiding van dr. Joh Dyserinck leraar te Rotterdam. In juli 1897 werd de eerste steen gelegd van het nieuwe kerkje aan de Lenghenstraat dat 9 januari 1898 in gebruik werd genomen. Op 24 mei 1967 is de eerste paal geslagen, van het huidige kerkgebouw aan de S.M. Hugo van Gijnweg.
 
Op dit moment bestaat de gemeente uit een zestigtal leden, en een aantal 'actieve vrienden', sympathisanten van de gemeenschap en de doperse opvattingen.
 
Bronnen

 

1) Geschiedenis van Dordt tot 1572 pag. 355.
2) Geschiedenis van Dordt tot 1572 pag. 357.
3) Geschiedenis van Dordt tot 1572 pag. 356.
4) Jan Wouterszoon van Cuyck en Adriaenken Jansdr
5) Stadsarchief Dordrecht/DiEP
6) Om de ware gemeente en de oude gronden; door S. Zijlstra, pag 459.
7) Confessie Ende Vredehandelinge
8) Jan Luyken
9) Jacobus Craandijk

 
 

Home